In Nederland kom je in huis vooral twee soorten muizen tegen: de huismuis en de dwergmuis. Van die twee is de huismuis verreweg de meest voorkomende en ook de meest lastige gast. Welke soort bij jou rondloopt, kun je bepalen aan de hand van uiterlijk, gedrag en de plekken waar je ze tegenkomt.
De huismuis: de meest voorkomende soort muizen in huis
De huismuis (Mus musculus) is de soort die je bij de meeste muizenoverlast in huis hebt. Hij heeft een grijsbruine vacht, een spitse snuit, grote oren en een lange, vrijwel kale staart. Het dier is klein: het lichaam is tussen de 7 en 10 centimeter lang, de staart is ongeveer even lang. Een huismuis weegt maar een paar gram.
Huismuizen zijn echte opportunisten. Ze eten vrijwel alles: graan, brood, chocola, kaas en zelfs zeep of kaarsen. Ze nestelen graag in warme, donkere plekken zoals achter keukenkastjes, in de kruipruimte, onder de vloer of in de muur. Ze bewegen zich voort langs vaste routes dicht langs muren en laten daarbij vettige, donkere veegsporen na op plinten en muren. Dit zijn een van de duidelijkste signalen dat je een huismuis hebt.
Een huismuis is ook heel vruchtbaar. Een vrouwtje kan meerdere keren per jaar een nestje krijgen met vijf tot tien jongen. Bij een kleine initiële besmetting kan de populatie in een woning daardoor snel groeien als je er niets aan doet.
De dwergmuis: zeldzaam en nauwelijks een plaagdier
De dwergmuis (Micromys minutus) is de kleinste muis van Europa. Het diertje wordt maar 5 tot 7 centimeter lang en weegt minder dan 10 gram. Hij heeft een oranje-bruine rug, een witte buik en een grijpstaart waarmee hij zich aan grasstengels kan vasthouden. Die grijpstaart is een uniek kenmerk dat hem direct onderscheidt van de huismuis.
De dwergmuis leeft eigenlijk buiten: in hoog gras, rietvelden en akkers. Hij bouwt kleine bolvormige nestjes in de vegetatie. Dat hij in een woning belandt, is zeldzaam. Als het gebeurt, is het bijna altijd per ongeluk, bijvoorbeeld als hij meekomt met hooi of tuinmateriaal. Hij is geen echte plaagmuis.
Hoe onderscheid je de twee soorten van elkaar?
Op het eerste gezicht lijken alle kleine muizen op elkaar, maar er zijn duidelijke verschillen:
- Kleur: de huismuis is grijsbruin aan de boven- en onderkant. De dwergmuis heeft een warm oranje-bruine rug en een duidelijk witte buik.
- Grootte: de dwergmuis is merkbaar kleiner dan de huismuis.
- Staart: de dwergmuis heeft een grijpstaart die hij actief gebruikt. De huismuis heeft een gewone kale staart.
- Gedrag: de huismuis is schuw maar komt geregeld terug op dezelfde routes. De dwergmuis zie je zelden binnenshuis.
- Uitwerpselen: huismuizen laten kleine, zwarte keuteltjes (ongeveer 3 tot 6 mm) achter op aanrechten, in kastjes en langs muren. Dit zie je bij een dwergmuis in huis bijna nooit.
Wat als je een muis ziet binnenshuis?
In bijna alle gevallen gaat het om een huismuis. Zie je een muisje dat wat trager beweegt en helder oranje-bruin van kleur is, dan kan het een dwergmuis zijn die per ongeluk naar binnen is gekomen. In dat geval kun je hem gewoon buiten zetten. Een huismuis los je zo niet op: die is bewust op zoek naar voedsel en warmte en komt terug als de toegangsweg open blijft.
De meest betrouwbare manier om te bepalen welke soort je hebt, is goed kijken naar de kleur, de staart en de grootte. Twijfel je? Maak een foto. Dan kun je makkelijk vergelijken met afbeeldingen van de huismuis en dwergmuis, of een plaagdierbestrijder om advies vragen.
In de praktijk is de soort die je thuis tegenkomt dus bijna altijd de huismuis. Die herkent je aan zijn grijsbruine vacht, zijn vaste looproutes langs muren en de keuteltjes die hij achterlaat. Weet je zeker dat je te maken hebt met een huismuis, dan loont het om snel te handelen: hoe langer je wacht, hoe groter de kans dat de populatie in jouw huis uitbreidt.



